DOEKA

 

 

De grot van de Chinees

  • Fontgrootte: Groter Kleiner
  • Afdrukken

Het was in de tijd van een jonge koning. Richard heette de koning. Richard wilde laten zien dat hij een grote koning was en veroverde het ene na het andere land.

Op een van zijn veroveringstochten kwam Richard langs een grot waar mensen stonden te wachten. Richard hield zijn paard halt, boog voorover en vroeg waarop de mensen aan het wachten waren.

Dit was de grot van Wroembapotje, zeiden ze. Een Chinees die je de belangrijkste vraag van je leven kon stellen. Richard keek om naar zijn mannen. Hij wilde een grapje maken over deze malle mensen en die Chinees, maar hij slikte zijn grapje in.

Ik wil die vraag wel horen, dacht hij bij zichzelf, die belangrijkste vraag van mijn leven. Daarop stapte Richard van zijn paard. Hij liep naar de ingang van de grot, de mensen weken voor de machtige koning opzij en Richard ging naar binnen.

In de grot was het donker. Richard zag niets. Hij wreef in zijn ogen om aan het donker te wennen en net toen hij naar buiten wilde roepen dat er een fakkel moest komen, flikkerde er aan het eind van de grot een vuurtje aan.

Richard hoorde iemand naar voren schuifelen. Het ritselde in het donker. Achter het vuurtje kwam een kleine, grijze man te staan. Voordat Richard iets kon zeggen of doen, schraapte het mannetje zijn keel: Kun je niets beters dan dit? vroeg het mannetje.

De jonge koning was verbaasd. Wat... wat...?! Dacht hij. Hij werd boos. Hoezo, kan ik niets beters dan dit?! Hij wilde naar de Chinees stappen en hem bij de kraag vatten en door elkaar schudden, maar net zo plotseling als het licht in de grot gekomen was, zo verdween het er ook weer uit. Richard zag niets meer. Het was stil.

Woedend liep Richard naar buiten. Kan ik niets beters dan dit?! Blafte hij hardop. Hij gebaarde naar zijn mannen, sprong op zijn paard, spuugde op de grond en galoppeerde van de grot weg.

In de jaren daarop ging Richard verder zoals hij zijn koningsschap was begonnen: hij veroverde land. Hij liet paleizen bouwen. Hij trouwde wel twintig vrouwen en kreeg vele kinderen.

Op een van zijn tochten kwam hij weer langs de grot van Wroembapotje. Bij de ingang stonden mensen te wachten. Zit die Chinees hier nog steeds? Dacht hij bij zichzelf. Hij greep naar zijn zwaard dat schitterde van juwelen en vroeg zijn mannen: Kan ik niets beters dan dit?! De mannen lachtten hard. Richard de Veroveraar noemde ze hem. Niemand had ooit een koning gekend die zoveel land veroverd had als hij.

Richard stapte van zijn paard. Hij liep naar de ingang van de grot, de mensen weken voor hem opzij en hij ging naar binnen. Het was donker. Richard zag niets. Hij wreef in zijn ogen om aan het donker te wennen en net toen hij naar buiten wilde roepen dat er een fakkel moest komen, flikkerde aan het eind van de grot een vuurtje aan.

Richard hoorde iemand naar voren schuifelen. Er ritselde iets in het donker en achter het vuurtje kwam een kleine, grijze man te staan. Voordat Richard iets kon zeggen of doen, schraapte het mannetje zijn keel: Kun je niets beters dan dit? Vroeg het mannetje. De koning ontplofte van woedde. Hij stormde naar buiten en gaf zijn boogschutters het bevel met hem mee te komen. Ze ontbrandden een fakkel en gingen naar binnen.

Ze zagen niets. Het licht van de fakkel viel in het niet bij de donkerte van de grot, maar juist toen de koning het bevel wilde geven om nog meer fakkels te brengen, flikkerde aan het eind van de grot een vuurtje aan. Ze hoorden iemand naar voren schuifelen. Het ritselde in het donker en achter het vuurtje kwam een kleine, grijze man te staan. Hij glimlachte en vroeg: kun je niets beters dan dit? Pffft!!Een golf van pijlen vloog in de richting van de oude man.

Maar waar de man had gestaan, was het donker geworden. Even plotseling als hij in de grot was verschenen, zo was hij er ook weer uit verdwenen. De koning beval nu om in de grot een groot vuur te maken. Maar hoe ze ook zochten in alle hoeken van de grot, ze vonden niemand.

De jaren gingen voorbij. De koning bouwde nog meer paleizen, steeds groter werden ze en zijn rijk breidde zich uit tot aan de randen van de oceaan. De mensen waren bang voor hem geworden en moe om al die paleizen te betalen.

De koning werd wreder en wreder en toen hij op een dag langs de grot van Wroembapotje kwam en de mensen voor de ingang zag staan, aarzelde hij niet. Hij liet de grot afbreken.
Tevreden keek hij toe hoe de grot steen voor steen werd weg gemaakt totdat er aan de rand van het bos niets overbleef dan een leeg gat. Zo! Riep hij en spuugde het lege gat in: kun je niets beters dan dit...! En hij lachte blij en bitter over zijn triomf.

Die nacht droomde Richard dat hij in een grot stond. Aan het eind van de donkerte flikkerde een vuurtje aan. Een kleine, oude man kwam naar voren. Kun je niets beters dan dit? Vroeg het mannetje.

De week daarop droomde Richard het weer. Een week later weer. En weer. Gek werd hij er van. Hij durfde bijna niet meer te gaan slapen en toen hij er met een van zijn vrouwen over sprak, zei ze hem: je moet kerken bouwen en goede dingen doen voor de mensen, misschien komt de stem dan tot rust.

Zo gezegd zo gedaan: Richard liet een grote kerk bouwen en gaf vele duizenden gouden munten aan goede doelen: aan de armen, aan de zieken, aan iedereen die honger had.
Maar toen hij bij de opening van de kerk door de ingang stapte, was er een stem in zijn hoofd die vroeg: kun je niets beters dan dit?

In wanhoop zakte de koning op zijn kniëen. Hij huilde. Ze moesten hem naar zijn kamer dragen. Daar lag hij maanden op zijn bed, futloos, zonder doel. Steeds vaker kwamen boodschappers zeggen dat hij een stad verloren had aan een vijandelijke koning. Hij tilde zijn hoofd enkel op, glimlachte flauwtjes en zakte weer in.

Maar na een jaar kwam hij weer op de been. Meer dan driekwart van zijn koninkrijk had hij verloren, maar hij begon opnieuw met een veroveringstocht. Hij onderhield zijn paleizen. Hij vroeg de mensen geld voor zijn legers. Alleen na die ene veroveringstocht hield hij op. Hij was nog steeds een vorst waarvoor de mensen bang waren, maar wreed, dat was hij niet meer. Zijn rijk was nog steeds groot, maar niet veel groter dan dat van andere koningen.

De jaren verstreken en op een nacht droomde hij dat hij in een grot stond. Aan het eind van de donkerte flikkerde een vuurtje aan. Een kleine, oude man verscheen. Het was Wroembapotje. Kun je niets beters dan dit? vroeg het mannetje vriendelijk.

Verbaasd merkte Richard dat hij kalm bleef. En met grote innerlijke rust, wist hij plotseling het antwoord: Nee, ik kan niets beters dan dit. Hij leefde nog lang en gelukkig.